Scholing wordt zichtbaar in de klas wanneer docenten niet alleen nieuwe kennis opdoen, maar die kennis ook structureel omzetten in ander lesgedrag. Dat vraagt meer dan een goede training: het vraagt begeleiding daarna, ruimte op school om te oefenen, en gerichte feedback in de praktijk. De vragen hieronder pakken elk een cruciaal onderdeel van dat proces aan.

Waarom beklijft scholing zo vaak niet in de dagelijkse lespraktijk?

Scholing beklijft niet in de dagelijkse lespraktijk omdat er een kloof bestaat tussen de trainingsomgeving en de werkelijkheid van de klas. Docenten leren nieuwe inzichten in een relatief gecontroleerde setting, maar zodra ze terugkeren op school, nemen de gewoonten, de werkdruk en het vertrouwde ritme al snel de overhand. Zonder actieve ondersteuning na de training verdwijnt nieuw gedrag snel.

Dit fenomeen is bekend als het transferprobleem: kennis die in een training wordt opgedaan, wordt niet automatisch omgezet in ander lesgedrag. De dagelijkse lespraktijk vraagt snelle beslissingen, en docenten vallen daarbij terug op wat ze al jaren doen. Dat is geen onwil, maar een menselijk mechanisme. Nieuwe didactische vaardigheden toepassen kost in het begin meer cognitieve energie dan het automatische gedrag dat ze moeten vervangen.

Daar komt bij dat nascholing in het onderwijs vaak eenmalig is: een studiedag, een workshop, een losse cursus. Zonder follow-up, zonder concrete oefenmomenten in de eigen klas en zonder terugkoppeling blijft de impact beperkt tot een goed gevoel na afloop.

Wat is het verschil tussen kennis opdoen en gedrag veranderen?

Kennis opdoen betekent dat een docent begrijpt hoe iets werkt. Gedrag veranderen betekent dat diezelfde docent dat begrip consequent toepast in de klas, ook als het moeilijk is of de les anders loopt dan gepland. Het verschil zit in automatisering: kennis zit in het hoofd, gedrag zit in de handeling.

Een docent kan na een training precies uitleggen wat expliciete directe instructie inhoudt, of hoe je differentieert op meerdere niveaus. Maar dat weten is iets anders dan het doen. Gedragsverandering vraagt herhaling, reflectie en feedback over een langere periode. Pas als een nieuwe aanpak meerdere keren is uitgeprobeerd en bijgesteld, begint die een vanzelfsprekend onderdeel van het lesgedrag te worden.

Voor professionalisering van docenten betekent dit dat een traject niet klaar is na de kennisoverdracht. De echte winst zit in de fase daarna: het oefenen, het aanpassen, het verankeren.

Welke omstandigheden op school maken transfer van scholing mogelijk?

Transfer van training lukt het best wanneer de schoolomgeving actief bijdraagt aan het toepassen van het geleerde. Dat vraagt drie dingen: psychologische veiligheid om te experimenteren, tijd en ruimte om nieuw gedrag te oefenen, en een cultuur waarin professionele ontwikkeling een gedeelde prioriteit is.

Concreet betekent dit dat schoolleiders een rol spelen die verder gaat dan het faciliteren van nascholing. Ze scheppen de condities waaronder docenten daadwerkelijk kunnen oefenen. Dat kan door ruimte te maken voor collegiale observaties, door teamgesprekken te voeren over lespraktijk, of door professionele leergemeenschappen (PLG’s) in te richten waarin docenten structureel van en met elkaar leren.

Scholing die zichtbaar wordt in de klas is zelden het resultaat van één docent die hard zijn best doet. Het is bijna altijd het resultaat van een team dat dezelfde richting op beweegt, met gedeelde taal, gedeelde doelen en wederzijdse ondersteuning.

Meer tips?

Schrijf je dan nu in voor onze nieuwsbrief!

Privacyvoorwaarden*

Hoe helpt coaching na een training om nieuw gedrag te verankeren?

Coaching na een training helpt om nieuw gedrag te verankeren door docenten te ondersteunen op het moment dat het er echt toe doet: in de klas zelf. Waar een training kennis en inzicht geeft, geeft coaching de docent houvast bij het toepassen van die kennis in de eigen, unieke lespraktijk.

Didactisch coachen werkt planmatig en gestructureerd. Een coach observeert lessen, geeft gerichte feedback en stelt vragen die de docent aanzetten tot reflectie op het eigen handelen. Dat stimuleert niet alleen het denkproces van de docent, maar ook dat van de leerlingen, omdat de coach meedenkt over hoe de docent zijn leerlingen beter kan activeren.

Wij combineren bij September Onderwijs trainingen altijd met coaching en lesobservaties, zodat het geleerde niet blijft hangen in theorie maar zichtbaar wordt in de dagelijkse lespraktijk. Een lesbezoek gevolgd door een gericht feedbackgesprek is daarin een van de krachtigste instrumenten die we kennen.

Wat is de rol van formatief handelen bij de professionalisering van docenten?

Formatief handelen speelt bij de professionalisering van docenten dezelfde rol als bij het leren van leerlingen: het maakt zichtbaar waar iemand staat en welke stap daarna nodig is. Toegepast op docenten betekent het dat scholingstrajecten niet worden afgemeten aan aanwezigheid, maar aan voortgang in het lesgedrag.

Formatief handelen als professionaliseringsaanpak vraagt dat trainers en coaches voortdurend nagaan wat een docent al beheerst, waar de volgende groeistap ligt en hoe ze daar samen naartoe kunnen werken. Dat maakt begeleiding persoonlijk en effectief, in plaats van generiek en eenmalig.

Voor docenten zelf is het ook een krachtige manier om eigenaarschap te voelen over hun eigen ontwikkeling. Wie begrijpt waar hij staat en wat de volgende stap is, werkt met meer vertrouwen aan het verbeteren van zijn didactische vaardigheden. Dat zichtbare leerproces is precies wat scholing duurzaam maakt.

Wanneer is een scholingstraject voor docenten écht afgerond?

Een scholingstraject voor docenten is écht afgerond wanneer het nieuwe gedrag zichtbaar en duurzaam is in de lespraktijk, niet wanneer de laatste sessie heeft plaatsgevonden. De afronding wordt bepaald door wat er in de klas gebeurt, niet door wat er op de planning stond.

In de praktijk betekent dit dat een traject pas klaar is als de doelen die aan het begin zijn gesteld ook daadwerkelijk zijn bereikt. Die doelen zijn concreet: een docent past differentiatie toe in elke les, of stelt activerende vragen die leerlingen aanzetten tot nadenken. Zulke doelen zijn observeerbaar en toetsbaar.

Wij zijn bij September Onderwijs pas tevreden als die concrete doelen zijn bereikt. Dat klinkt veeleisend, maar het is juist wat professionalisering van docenten effectief maakt. Een traject dat eindigt bij kennisoverdracht heeft zijn werk nog niet gedaan. Pas als lesgedrag daadwerkelijk is verbeterd en de leerlingen daar de vruchten van plukken, is het doel bereikt.

Veelgestelde vragen

Hoe lang duurt het gemiddeld voordat nieuw lesgedrag echt automatisch wordt?

Onderzoek naar gedragsverandering laat zien dat het gemiddeld 60 tot 90 dagen duurt voordat nieuw gedrag een automatische routine wordt — en bij complexe didactische vaardigheden kan dat nog langer zijn. Dat betekent dat een scholingstraject minimaal een heel schoolkwartaal moet omvatten om duurzaam effect te hebben. Kortere trajecten kunnen zinvol zijn als opstap, maar hebben altijd een vervolg nodig in de vorm van coaching of collegiale begeleiding.

Wat zijn de meest gemaakte fouten bij het opzetten van een nascholingstraject voor docenten?

De meest voorkomende fout is nascholing behandelen als een eenmalig evenement: een studiedag plannen, afvinken en doorgaan. Andere veelgemaakte fouten zijn het ontbreken van concrete, observeerbare leerdoelen, geen aandacht voor de schoolcultuur rondom professionalisering, en het niet inplannen van follow-up momenten zoals coaching of intervisie. Een effectief traject begint met heldere doelen, bouwt bewust follow-up in en borgt de betrokkenheid van de schoolleiding van meet af aan.

Hoe kan een schoolleider zien of scholing daadwerkelijk effect heeft in de klas?

De meest betrouwbare manier is gestructureerde lesobservatie: kijk of het gewenste gedrag — zoals activerende vraagtechnieken of gedifferentieerde instructie — daadwerkelijk zichtbaar is in de les. Dit kan door de schoolleider zelf, door een coach of door een collega-docent worden gedaan. Aanvullend kunnen korte reflectiegesprekken met de docent en leerlingfeedback waardevolle signalen geven. Aanwezigheidsregistratie of tevredenheidsscores na een training zeggen niets over het effect op het lesgedrag.

Is didactische coaching ook zinvol voor ervaren docenten, of is het vooral bedoeld voor startende leraren?

Didactische coaching is juist ook zeer waardevol voor ervaren docenten. Juist bij ervaren leraren zijn gewoonten diep ingesleten, wat transfer van nieuwe inzichten soms moeilijker maakt. Bovendien hebben ervaren docenten vaak al een sterke basis waarop coaching gericht kan voortbouwen richting verfijning en verdieping. Coaching is geen remediërend instrument voor wie het ‘niet goed doet’, maar een professioneel groeimiddel voor iedereen die zijn onderwijs wil versterken.

Hoe zorg je als docent zelf voor meer transfer als je school weinig follow-up biedt na een training?

Begin met het formuleren van één concrete, observeerbare gedragsdoelstelling direct na de training: wat ga je volgende week anders doen in de klas? Zoek vervolgens een collega die bereid is om samen te reflecteren, elkaars lessen te bezoeken of een informele intervisiegroep te vormen. Houd een kort leerlogboek bij waarin je per les noteert wat je hebt geprobeerd en wat je opviel. Zo creëer je zelf een mini-leeromgeving, ook zonder formele begeleiding vanuit de school.

Wat is het verschil tussen een professionele leergemeenschap (PLG) en gewone teamvergaderingen?

Een professionele leergemeenschap (PLG) is gericht op gezamenlijk leren en verbeteren van de lespraktijk, terwijl teamvergaderingen doorgaans organisatorisch van aard zijn. In een PLG onderzoeken docenten samen een concreet didactisch vraagstuk, delen ze ervaringen uit de klas en geven ze elkaar feedback op basis van gedeelde observaties. Het verschil zit in de focus: een PLG is expliciet leer- en praktijkgericht, met een gestructureerde aanpak en gedeeld eigenaarschap over de professionele ontwikkeling.

Hoe kies je het juiste moment om een scholingstraject te starten binnen het schooljaar?

Het meest effectieve moment is aan het begin van het schooljaar of direct na de herfstvakantie, omdat docenten dan voldoende tijd hebben om nieuw gedrag te oefenen en te verankeren vóór de drukke toetsperiodes. Vermijd de periode vlak voor of na langere vakanties en eindexamentijd, omdat de werkdruk dan structurele oefening in de weg staat. Belangrijk is ook dat de schoolleiding het traject actief ondersteunt en dat er ruimte is ingepland in de agenda — niet als extra last, maar als geïntegreerd onderdeel van de professionele ontwikkeling.

Vraag onze brochure aan

Bekijk het cursusaanbod

Verhalen uit het onderwijs

Tips voor leskwaliteit

Incompany traject in het kort

Verkenning van de ontwikkelsituatie in jouw organisatie of team

Flexibele samenstelling van intern programma in goed overleg

Combinatie van teamtrainingen en individuele coaching

Praktijkgerichte oefeningen met werkplezier

Misschien vind je dit ook interessant?