Hoe zorg je ervoor dat elke leerling in jouw school tot leren komt? Inspectie van het Onderwijs heeft daar duidelijke kenmerken voor geformuleerd. Eén daarvan blijft in de praktijk opvallend lastig: afstemmen. Want hoe zorg je ervoor dat jouw les aansluit bij wat leerlingen nodig hebben, terwijl je met een hele klas tegelijk werkt?
Wat is een goede les?
De vraag wat een goede les is, wordt vaak beantwoord met gevoel of ervaring. De Monitor Leskwaliteit van de inspectie maakt dat concreter. Daarin worden vijf indicatoren beschreven die samen bepalen of een les effectief is: een duidelijke lesopbouw, actief leren, een veilig leerklimaat, klassenmanagement en afstemming.
Afstemming staat dus niet los, maar is één van de bouwstenen van leskwaliteit. Een les kan goed gestructureerd zijn en rustig verlopen, maar zonder afstemming profiteren niet alle leerlingen. Om te zorgen dat leerlingen verder komen in hun leren, is het van belang dat de docent voortdurend zicht heeft op wat leerlingen begrijpen en daar tijdens de les op inspeelt.
Lees ook onze blog over wat de onderwijsinspectie controleert
Wat wordt bedoeld met afstemmen?
Afstemmen gaat over de vraag of een les aansluit bij wat leerlingen nodig hebben om verder te komen. De inspectie beschrijft het als de mate waarin alle leerlingen profiteren van de les, ondanks hun verschillen.
Dat vraagt concreet gedrag van de docent:
- zicht hebben op verschillen tussen leerlingen
- controleren of leerlingen de leerstof begrijpen
- op basis daarvan de les bijstellen
Het gaat dus om handelen in het moment. Niet alleen om een goed doordacht lesontwerp.
Afstemmen begint met goed kijken
Afstemmen betekent dat je als docent continu oplet wat er gebeurt in je klas. Je ziet wie aanhaakt, wie afhaakt en wie ergens tussendoor beweegt. Op basis daarvan stuur je bij. De inspectie omschrijft het als de mate waarin alle leerlingen profiteren van de les, ondanks hun verschillen. Dat vraagt dat je die verschillen kent én er iets mee doet.
In de praktijk betekent dat:
- zicht hebben op verschillen tussen leerlingen
- controleren of leerlingen de leerstof begrijpen
- op basis daarvan de les bijstellen
Drie stappen van afstemmen
Afstemmen vraagt concreet handelen in het moment. Klik op een stap voor meer uitleg.
Afstemmen begint bij kijken. Als docent let je continu op wat er in de klas gebeurt: wie haakt aan, wie haakt af en wie beweegt ergens tussendoor.
Dit vraagt dat je de verschillen tussen leerlingen kent — niet alleen op papier, maar ook in de les zelf. Zonder dat zicht kun je niet bijsturen.
Formatief handelen betekent dat je tijdens de les checkt of leerlingen begrijpen wat je aanbiedt. Je stelt vragen, laat iets voordoen of gebruikt een korte opdracht.
De uitkomst daarvan bepaalt je volgende stap — niet het lesplan. Controle van begrip, zoals je kent van expliciete directe instructie, helpt hierbij.
Afstemmen vraagt dat je durft af te wijken van je plan. Je les ligt niet vast — die ontwikkelt zich terwijl je bezig bent. Keuzes maak je tijdens de les, niet vooraf.
Dat betekent soms vertragen als een groep het niet begrijpt, maar ook versnellen als een groep al verder kan.
Lees ook: differentieren in de klas, iedere leerling verdient iets anders
Waarom dit zo lastig is
Veel docenten bereiden hun lessen zorgvuldig voor. Dat is logisch en nodig. Tegelijkertijd vraagt afstemmen dat je durft af te wijken van dat plan. Dat moment herkennen veel leraren: je ziet dat een deel van de klas het niet begrijpt, maar je gaat toch door. Of juist andersom: je blijft te lang hangen terwijl een groep al verder kan. Veel teams kennen de taal van afstemmen. Begrippen als differentiatie en formatief handelen zijn bekend.
Toch zie je in lesobservaties vaak hetzelfde patroon:
- één instructie voor de hele groep
- dezelfde verwerking voor iedereen
- weinig bijsturing tijdens de les
- Leerlingen krijgen niet voldoende hulp óf uitdaging.
Lees ook: differentiëren kun je leren.
Meer tips?
Twee manieren waarop afstemmen zichtbaar wordt
Afstemmen komt in elke les terug via twee bewegingen: formatief handelen en differentiëren.
Formatief handelen betekent dat je tijdens de les checkt of leerlingen begrijpen wat je aanbiedt. Je stelt vragen, laat iets voordoen of gebruikt een korte opdracht. De uitkomst bepaalt je volgende stap.
Differentiëren betekent dat je bewust omgaat met verschillen. Je kiest wie extra uitleg nodig heeft, wie kan doorwerken en wie juist verdieping aankan.
Controle van begrip zoals je kent van expliciete directe instructie helpt ook bij afstemmen in de les.
Samen zorgen ze ervoor dat je les blijft aansluiten op wat er gebeurt.
Onderdeel 1 van 3
Formatief handelen
Formatief handelen betekent dat je tijdens het leerproces voortdurend informatie verzamelt over wat leerlingen begrijpen en daar direct op inspeelt. Het doel is niet beoordelen, maar bijsturen.
Verzamelen
Waar staat de leerling?
Gebruik vragen, opdrachten of observatie om zicht te krijgen op het begrip van leerlingen. Niet aan het einde, maar tijdens de les.
Interpreteren
Wat zegt dit over het begrip?
Analyseer wat je ziet of hoort. Welk patroon zie je? Begrijpt de hele klas het niet, of slechts een deel?
Handelen
Wat doe je er vervolgens mee?
Pas je instructie aan, geef gerichte feedback of bied een andere uitleg. De informatie stuurt je volgende stap.
Veelgebruikte werkvormen: exit tickets, duimvoting, mini-whiteboards, harkwragen, beurtstokjes en korte diagnostische vragen.
Onderdeel 2 van 3
Differentiëren
Differentiëren betekent bewust omgaan met verschillen tussen leerlingen. Niet iedereen heeft dezelfde instructie, leerstof of hoeveelheid tijd nodig om hetzelfde doel te bereiken.
Leerstof
Herhalen of verrijken
Leerlingen die de stof beheersen krijgen verdieping of verrijking. Leerlingen die achterlopen krijgen herhaling of vereenvoudigde opdrachten.
Instructie
Kort of verlengd
Een deel van de klas werkt zelfstandig terwijl jij een kleinere groep extra uitleg geeft. Gericht, effectief en direct toepasbaar.
Leertijd
Bijvoorbeeld preteaching
Leerlingen die de stof moeilijk vinden krijgen alvast een vooruitblik. Zo starten ze de les met een betere basis.
Leerbehoefte
Manier van leren
Leerlingen leren op verschillende manieren. Door te variëren in hoe je iets aanbiedt, vergroot je de kans dat de leerstof aankomt bij meer leerlingen.
Differentiëren hoeft niet ingewikkeld te zijn. Eén gerichte aanpassing per les — verlengde instructie of een extra uitdagende opdracht — maakt al verschil.
Onderdeel 3 van 3
EDI & controleren van begrip
Expliciete Directe Instructie (EDI) is een gestructureerde aanpak waarbij de docent stap voor stap nieuwe kennis aanbiedt. Begripscontrole is daarin een vast en cruciaal onderdeel.
Lesdoel benoemen
Vertel leerlingen wat ze aan het einde van de les kunnen. Een helder doel geeft richting aan zowel de instructie als de controle.
Activeren van voorkennis
Koppel nieuwe stof aan wat leerlingen al weten. Dit vergroot de kans dat nieuwe informatie blijft hangen.
Instructie geven
Bied nieuwe kennis aan in kleine stappen. Gebruik voorbeelden, modelleer het denkproces en denk hardop voor.
Begrip controleren
Stel gerichte vragen aan de hele klas — niet alleen aan vrijwilligers. Gebruik technieken als cold calling, beurtstokje of koorddansen om alle leerlingen te betrekken.
Begeleid inoefenen
Leerlingen oefenen terwijl jij rondloopt en bijstuurt. Signaleer misvattingen vroeg — voordat leerlingen zelfstandig aan het werk gaan.
Begripscontrole is geen toets — het is een hulpmiddel om te zien of je verder kunt of moet bijsturen. Hoe vaker je controleert, hoe beter je inspeelt op wat leerlingen nodig hebben.
Differentiëren vraagt om keuzes in je les
Uit de praktijk en ook uit onze trajecten blijkt dat afstemmen pas concreet wordt, wanneer docenten weten waarop ze kunnen differentiëren.
- leerstof (herhalen of verrijken)
- instructie (kort of verlengd)
- leertijd (bijvoorbeeld preteaching)
- leerbehoefte (manier van leren)
Dit helpt teams om gerichter te kijken: waar zit in deze les de meeste winst?

Wat vraagt dit van je school?
1. Begin bij de basis
Voordat je met differentiëren aan de slag gaat, moet de basis staan.
- Is het rustig in de klas?
- Zijn afspraken duidelijk en consequent?
- Is er contact tussen docent en leerling?
Wanneer er onrust of onduidelijkheid is, gaat alle energie daarnaartoe. Dan is er weinig ruimte om af te stemmen.
2. Maak zichtbaar wat goed gaat
Veel teams doen al meer dan ze denken.
Door dat zichtbaar te maken, ontstaat eigenaarschap.
Docenten zien: dit kan ik al. Hier kan ik op doorbouwen.
3. Kies een gerichte ontwikkelstap
Afstemmen ontwikkel je stap voor stap.
Bijvoorbeeld:
- eerst beter controleren van begrip
- daarna werken met verlengde instructie
- vervolgens variatie in verwerking
Kleine stappen zorgen voor beweging.
Van losse interventies naar samenhang
In veel scholen zien we dat afstemmen blijft hangen in losse acties. Een keer differentiëren, een keer een formatieve werkvorm. Bij September Onderwijs kijken we juist naar de samenhang. Wat gebeurt er in de hele les? Waar verlies je leerlingen? Waar kun je bijsturen? Van daaruit bouwen we met teams aan lessen die beter aansluiten. Alle ontwikkeltrajecten van September Onderwijs zijn afgestemd op de school.
De vraag die ertoe doet
Uiteindelijk draait afstemmen om één vraag: voor wie werkt deze les op dit moment?
Als je die vraag blijft stellen tijdens je les, verandert je manier van kijken. En daarmee ook je handelen.






